Alternatieve therapie

Alternatieve geneeswijzen is de verzamelterm voor alle therapieën,middelen en diagnostische handelingen waarvoor geen wetenschappelijk bewijs van medicinale effectiviteit geleverd is en die meestal niet aan medische faculteiten of officieel erkende paramedische opleidingen worden gedoceerd. Ze worden ook meestal door niet-artsen uitgeoefend. Naast genezing of behandeling van een ziekte, kunnen ze ook persoonlijke groei en relaxatie tot doel hebben.

Geschiedenis alternatieve geneeswijze
Met de invoering van de Wet Uitvoering Geneeskunst (WUG) in 1865 ontstond er een scheiding tussen de universitair geschoolde artsen en de andere bestaande geneeswijzen. Deze artsen kregen op deze wijze een wettelijke bescherming. Voor die tijd was er slechts sprake van een aantal concurrerende geneeswijzen. De term alternatieve geneeswijze kwam in Nederland eigenlijk pas sinds de jaren 80 van de twintigste eeuw in opgang, nadat de Commissie Muntendam een rapport uitbracht aan de Nederlandse regering met aanbevelingen om een aantal alternatieve behandelingen toe te laten en wetenschappelijk te onderzoeken.

Een chirurgijn aan het werkDe "geneeskunde" in de brede betekenis van het woord is van alle tijden. De "geneeskundige wijsheid", aanwezig bij medicijnmannen, druïden, of "wijze vrouwen" werd algemeen aanvaard, totdat in de 11de en 12de eeuw de kerk bepaalde dat deze personen een bedreiging vormden, en zij als ketters en heksen op de brandstapel moesten worden gezet. Vanaf deze periode beschouwde men ziekte en dood het terrein van God, een lot dat je trof en dat door devotie en boetedoening moest worden weerstaan. Na de middeleeuwen begon dit te veranderen. Er ontstonden twee soorten geneeskundigen. Vooreerst had men de theoretici, de "doctores medicinae". Volgens hen werden ziekten veroorzaakt door wijzigingen in warmte, koude, droogte of vochtigheid, en men keek naar slijm, bloed, zwarte en gele gal. Men noemde dit de humorenleer.[4] Demonen, geesten en allerlei bijgeloof werden aan deze "kennis" toegevoegd. Naast deze theoretici waren er de uitvoerend genezers, de barbiers en chirurgijnen. Deze behandelaars deden allerlei ingrepen met het mes, verzorgden wonden en zweren, behandelden breuken en voerden ook amputaties uit. Er was nauwelijks contact tussen de doctores medicinae en de chirurgijnen.

Vanaf de Renaissance groeien religie en filosofie enerzijds en natuurwetenschappen anderzijds uit elkaar. Descartes stond aan het begin van een mechanisch mensbeeld. De vorming van de conventionele geneeskunde ontstond in de 17e eeuw, toen de natuurwetenschappen een revolutionaire ontwikkeling doormaakten. Wetenschap werd niet meer alleen gezien als het resultaat van logische deductie, los van de ervaring (rationalisme), maar de observatie werd erkend als een middel ter verkrijging van natuurwetenschappelijke kennis (empirisme). Bovendien schuwde de moderne wetenschapper niet zijn handen te gebruiken om experimenten uit te voeren. Daartoe werd men gestimuleerd door de vele nieuwe apparaten en instrumenten die in die tijd werden ontwikkeld. Dit had positieve effecten op de kwaliteit van de geneeskunde. Men leerde meer en meer over de anatomie en het functioneren van het lichaam. De werking van organen en orgaanstelsels begon duidelijk te worden. Daardoor begon men de oorzaak van ziektes te zien als het gevolg van slecht functionerende organen en weefsels. Volgens dit medische model was iemand ziek als bijvoorbeeld zijn lever niet goed werkte: genees de lever en men geneest de patiënt. Binnen de geneeskunde ontwikkelden zich vele specialismen, die zich elk op een orgaansysteem van de mens of op een bepaald type behandeling richtten. Tot aan het eind van de 18e eeuw bestonden geneeskundige handelingen echter nog voornamelijk uit aderlatingen, primitieve operaties en botzettingen, laxeerkuren, braakkuren en bloedzuigers, en door het gebrek aan hygiënisch inzicht was het resultaat van de behandeling veelal ongewis. In een reactie op de slechte resultaten van de medische wetenschap van die tijd ontstond aan het eind van 18e eeuw de nu nog steeds bekende alternatieve geneeswijze, de homeopathie.

Clack Stanley's Snake Oil. Een patentmiddel aan het eind van de 19e eeuw.De moderne geneeskunde, gebaseerd op wetenschappelijke inzichten, ontwikkelde zich in de 19e eeuw. Het vertrouwen in de moderne geneeskunde als gevolg van de steeds verbeterende resultaten, leidde ertoe dat de tot dan toe gangbare behandelingen drastisch aan populariteit inboetten. In 1865 voerde Thorbecke in Nederland de Wet op de Uitoefening der Geneeskunst (WUG) in, waarna het alleen aan universitair opgeleide medici toegestaan was de geneeskunst te beoefenen. Desalniettemin werd de wet veelvuldig overtreden; traditionele behandelingen werden naast de natuurwetenschappelijke geneeswijze nog steeds uitgevoerd. In deze periode bestonden deze alternatieve behandelingen uit bijvoorbeeld kruidengeneeskunde en homeopathie, en aan het eind van de negentiende eeuw ontstond er een hausse aan patent- of geheimmiddelen. Patentmiddelen waren commerciële middelen op basis van zorgvuldig geheim gehouden recepten, die met veel reclame werden aangeprezen. Ze beloofden spectaculaire resultaten op velerlei gebied. Sommige van deze middelen waren door de ingrediënten echter ronduit gevaarlijk. Wetgeving zorgde er uiteindelijk voor dat de verkoop van deze middelen werd beperkt. In de twintigste eeuw ziet men een verschuiving van de interesse naar magnetiseurs, hypnotiseurs en gebedsgenezers. De alternatieve geneeskunde gebruikte als verklaring een groot aantal religieuze, filosofische en metafysische concepten zonder wetenschappelijke basis. Soms komen deze ideeën uit oude overleveringen, uit subjectieve ervaringen, uit kennis van de natuur of uit andere culturen. Soms betreft het nieuwe onverklaarbare of metafysische ideeën, soms is er sprake van een filosofie van een eenling met een gedreven aanhang. Sommige behandelingen hebben een langer durende aanhang, soms is er echter ook sprake van een rage.
Op dit moment is homeopathie de meest geconsumeerde alternatieve methode, in het bijzonder door de homeopathische zelfzorgmedicijnen. Bovendien is sinds de jaren 80 een groei van nieuwe semipsychologische therapieën zichtbaar.

Alternatieve therapie gebruik in Nederland
Het gebruik van alternatieve geneeskunde in Nederland stabiliseert zich sinds 1993 tussen de 6 en 7% van de bevolking. Er is sinds 2004 wel een daling merkbaar. Volgens recente gegevens van CBS bezocht in 2006 6,3 % van de Nederlandse bevolking een alternatieve genezer, anders dan de eigen huisarts. Daarnaast had nog 3,6% van de Nederlanders een huisarts die tevens een alternatieve behandeling aanbood.

De leeftijdsgroep die het vaakst een alternatieve genezer bezoekt is die van 45 - 65 jaar. Meer dan jongeren en 65-plussers. Volgens het CBS bezochten in 2007 9 procent van de vrouwen en 5 procent van de mannen een alternatieve genezer.